We moeten ons ontdoen van onze verouderde politieke partijstructuren, ontworpen voor een slechts kalmpjes aan veranderde wereld van massabewegingen en massa- economie. We zullen tijdelijke, modulaire partijen moeten oprichten die tegemoet kunnen komen aan snel veranderende behoeften; een soort in – en uitschakelbare partijen van de toekomst.
Misschien moeten we wel “diplomaten”of ambassadeurs” benoemen, niet tussen landen maar om te bemiddelen tussen minderheden binnen het eigen land. Quasi- politieke instituties oprichten om minderheidsgroepen te helpen gemakkelijker en sneller bondgenootschappen te vormen en die weer los te laten.
We hebben misschien podia nodig waarop verschillende minderheden, bij toerbeurt of misschien wel willekeurig aanwezig, zich samen buigen over bepaalde problemen, afspraken maken en geschillen uitvechten.
Onze parlementaire structuur is de afgelopen 250 jaar nauwelijks veranderd en is daarom niet toegerust voor het soort managersbeslissingen dat vandaag de dag noodzakelijk is. Het gehele apparaat is volkomen ineffectief. Een politiek stelsel moet niet alleen besluiten kunnen nemen en die uitgevoerd zien te krijgen. Het moet op de juiste schaal kunnen opereren, instaat zijn ongelijke stukken beleid te integreren en tegelijk de diversiteit in de samenleving kunnen weergeven en daarop reageren.
Onze problematiek speelt zich niet langer af rond zaken als “links versus rechts’, of sterk of zwak leiderschap; het huidige systeem van besluitvorming is zelf tot een gevaar uitgegroeid.
Toen er sprake was van een voornamelijk statische samenleving werkte het bestuursmodel met onafhankelijke ministers en wethouders misschien nog wel. Het was zeker niet ideaal, maar door een weinig dynamische samenleving waren de effecten ervan niet al te beroerd. Nu is dat anders.
Vanaf de voorhistorische tijden tot heden hing het goed functioneren van een groep mensen af van persoonlijke communicatie tussen de individuen die er deel van uitmaakten. Niettemin bestond ook de behoefte aan de mogelijkheid berichten uit te wisselen die tijd en ruimte konden overbruggen.
De oude Perzen beschikten over torens die als een soort “roepzender” functioneerden: erbovenop stonden mannen om berichten van de ene toren naar de andere te schreeuwen. De Romeinen exploiteerden een uitgebreid ordonnanssysteem. Tussen 1305 en het begin van de negentiende eeuw onderhield het Duitse vorstenhuid Taxis een ponyexpres voor heel Europa.
In de afgelopen eeuwen is de maatschappij veranderd van een agrarische naar een industriële samenleving. Wij leven momenteel in een transitoperiode die een gevolg is van de overgang van het Industriële Tijdperk naar het Kennis en Innovatietijdperk.
Als er iets is dat we uit de ons achterliggende decennia hebben kunnen leren, is het wel dat alle politieke en sociale problemen in elkaar grijpen. Dat bijvoorbeeld energie gevolgen heeft voor de economie, die op haar beurt consequenties heeft voor de gezondheidszorg, die dan weer effecten heeft voor onderwijs, gezinsleven en nog vele andere zaken. De poging om keurig apart gedefinieerde problemen geïsoleerd aan te pakken – de beproefde werkwijze uit het Industriële Tijdperk- leidt alleen maar tot verwarring en ellende. Daarom is het onbegrijpelijk dat de huidige structuur van de overheidsapparaten, de methodieken, werkwijzen en governance nog steeds op de criteria van het Industriële Tijdperk en niet op het nieuwe huidige tijdperk zijn gebaseerd.
Het gevolg hiervan is dat elke poging van een regering tot aanpak van wezenlijke problemen een geheel nieuwe serie problemen oproept die vaak nog ernstiger zijn dan de oorspronkelijke (zie Griekenland). De toenemende snelheid van de veranderingen is de macht van onze besluitvormende organen te boven gegaan, waardoor onze huidige politieke structuren verouderd zijn geraakt, ongeacht partij ideologie en/of soorten leiderschap.
De huidige politieke besluitvorming bevindt zich in een dermate groot vacuüm dat er sprake is van verlamming, stagnatie en richtingloosheid. Deze besluitvormingscrisis is overigens geen typisch Nederlands fenomeen. De zogenaamde regeerbaarheid van een democratie staat ter discussie omdat de politieke besluitvormingsmachinerie overbelast, volgestopt met irrelevante gegevens en geconfronteerd met ongekende problemen is.
Als burgers zien we het volgende schouwspel: een overheid die geen kans (meer) ziet de juiste beslissingen te nemen ten aanzien van belangrijke zaken of dat op uiterst inadequate wijze doet. En zich in plaats daarvan ongelooflijk druk maakt over duizend en één minder belangrijke en vaak triviale aangelegenheden.
Zelfs in die gevallen waarin sprake is van belangrijke besluiten, komen ze doorgaans als mosterd na de maaltijd en sorteren ze hoogst zelden het beoogde effect.
De snelle toeneming van het aantal verschillende producten en diensten in de technisch hoog ontwikkelde landen wordt vaak weggeredeneerd als een poging van het bedrijfsleven om de consumenten te manipuleren, om onnodige behoeften te scheppen en hun winsten op te voeren door voor een onbelangrijke wijziging een veel te hoge prijs te vragen. Ongetwijfeld bevatten deze aantijgingen een grond van waarheid, maar toch is er meer aan de hand: de toenemende verscheidenheid aan behoeften, waarden en levensstijlen in een gedemassificeerde samenleving.
Deze toegenomen sociale verscheidenheid wordt gevoed door een verdergaande onderverdeling van de arbeidsmarkt, weerspiegeld in groot aantal nieuwe beroepen vooral in de witte-boorden sector en bij de dienstverlening. Niet alleen onze beroepen worden minder uitwisselbaar, de mensen worden dat ook. Ze weigeren als standaardmodel te worden behandeld en doen hun werk in het scherpe bewustzijn van hun etnische, godsdienstige, professionele, seksuele, subculturele en individuele verschillen.
Bestaande politieke partijen, waarvan de ideologie net zo verouderd is als hun structuur, zijn hoogstens wat onduidelijke spiegelbeelden van elkaar geworden. Christen- democraten, Socialisten, Communisten, Liberalen, Democraten, Republikeinen, Conservatieven, allemaal zijn het, ondanks hun onderlinge verschillen, partijen uit het Industriële Tijdperk.
Feitelijk zijn ze allemaal uit onwetendheid of eigen belang bezig de stervende industriële orde uit de 20 ste eeuw in stand te houden, en blijven ze onderling vechten om de macht binnen dat systeem. Dat zal echter verloren kostbare energie, geld en tijd blijken te zijn. De uitkomst zal namelijk neerkomen op wie op een zinkend schip de beste plaats op het dek heeft weten te bemachtigen.
De noodzakelijke politieke ontwikkeling ontstaat in ons midden uit de strijd door twee fundamenteel verschillende kampen.
Voor het juiste economische inzicht in de 21ste eeuw is het verhelderend om zich een economie voor te stellen die uit twee sectoren bestaat: Sector A omvat het onbetaalde werk dat mensen voor zichzelf, hun gezin of hun eigen gemeenschap verrichten, terwijl sector B het geheel van goederen en diensten omvat dat bestemd is voor verkoop of ruil via één of andere markt. De productie van goederen en diensten ten behoeve van de markt is zo dominant geworden, dat de economen van het Industriële Tijdperk het hele bestaan van sector A vrijwel vergeten zijn. Het woord “economie”werd op een manier gedefinieerd die alle vormen van productieve arbeid die niet voor de markt zijn bestemd, uitsluit.
De prosument ( uit sector A) is daarmee onzichtbaar geworden en geen onderdeel van de economische definities en statistieken. Dat betekent bijvoorbeeld, dat al het onbetaalde werk thuis, het zelf schoonhouden van het huis, kinderen opvoeden en het vrijwilligerswerk in al zijn vormen wordt afgedaan als “niet economisch” terwijl de sector B, de zichtbare economie, niet zou kunnen bestaan zonder de goederen en diensten die in sector A, de onzichtbare economie, worden geproduceerd.
De meeste boeken over management, innovatie en ontwikkeling van producten gaan ervan uit dat de onderneming over de meeste middelen beschikt die nodig zijn voor de commercialisering van die innovatie. Die veronderstelling zal steeds vaker onterecht blijken te zijn. Veel van de meest opwindende nieuwe mogelijkheden vragen eerder om de integratie van complexe systemen dan om de innovatie rondom een op zich zelf staand product.
Anno 2011 is geen enkele businessunit, bedrijf of land instaat in zijn eentje de toekomst te creëren; daartoe is de hulp van anderen nodig. Toegang hebben tot adequate netwerken is onontbeerlijk geworden. De mentaliteit die past bij het Industriële Tijdperk van “ Wij winnen – Zij verliezen” is taboe en moet vervangen worden door een van “Win/Win situatie door kennis met allerlei partners uit netwerken te delen.
In het huidige Kennis en Innovatietijdperk zijn kennis en innovatie de belangrijkste factoren; dus niet langer de factor kapitaal is de belangrijkste. IBM is een uitstekend voorbeeld van een traditionele onderneming die dat heeft ingezien en dienovereenkomstig haar onderneming heeft omgevormd en met haar nieuwe werkwijze, waarbij zij optimaal gebruik maakt van haar met zorg gevormde netwerken, zeer succesvol is.
Kennis en het beschikken over de juiste informatie op het juiste moment en op de juiste plaats vormen de centrale hulpbronnen van de economie in de 21ste eeuw. Als onze bestuurders zich dat gaan realiseren en daartoe de juiste voorzieningen treffen dan ontstaat als het ware een extra intelligentie in de organisatie en de maatschappij die tot enorme besparingen, oplossingen van structurele problemen en continue toegevoegde waarde zal leiden.
Naarmate de industriële samenleving zich over onze planeet uitbreidde, ontstond op een natuurlijke wijze uit de scheiding van productie en consumptie een zestal met elkaar verbonden beginselen die ons gedrag en mentaliteit in de westerse wereld hebben geprogrammeerd en gedomineerd: standaardisatie, specialisatie, synchronisatie, concentratie, maximalisatie en centralisatie.