Algemeen genomen wordt economische groei als argument aangevoerd ‘om het beter te krijgen’. Dat hebben we menig lijsttrekker horen zeggen. Maar hoeveel beter? Hebben we het dan slecht? Nederland is een van de rijkste landen ter wereld. Als land zijn we misschien rijk, maar ondertussen verarmen we op dramatische wijze.
De naoorlogse aandacht voor economische groei is nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, verworden tot consumentisme. Want ‘….. als we meer consumeren, komt de economie weer op gang’. Onze steeds schaarser wordende vrije tijd besteden we op ’s zondags in de koopgoot en op de tweede christelijke feestdag schuifelen we in drommen over de meubelboulevard. Als de mens de afgelopen eeuw is geëvolueerd, dan is het wel op zo’n manier dat hij zichzelf heeft geïndividualiseerd en daarmee los is geraakt van het wezen van het aardse bestaan.
Onlangs was er op de provinciale weg een ernstig ongeluk gebeurd. De weg werd afgezet. Binnen enkele minuten was de traumahelikopter aanwezig. Het was een uur of half drie ’s middags en een van de warmste novemberdagen. Hoewel het kruispunt waar het ongeval had plaatsgevonden op hooguit driehonderd meter van ons huis ligt, zag ik uit mijn raam automobilisten toeteren en foeteren. Menigeen haalde rare kapriolen uit om zijn auto uit de file te draaien en via de berm een andere route te kiezen. Ja, een ongeluk is maar wat hinderlijk en je zou eens te laat op de afspraak komen. Realiseert men zich eigenlijk wat voor een drama zich op geringe afstand afspeelt; een strijd op leven en dood? Langzaam wordt de menselijke maat vervangen voor de economische meetlat. En het ergste is: we werken er zelf aan mee.
Op zaterdag 11 november 2006 beschreef Johan Schaberg in zijn column in NRC Handelsblad hoe verarmd wij raken door de jacht naar meer. ‘Met zijn allen de fuik in’ luidde de titel. Zijn betoog komt erop neer dat man en vrouw nu beiden moeten werken om een vergelijkbaar huishouden te runnen als bijvoorbeeld kort na de oorlog. Hebzucht en de jacht naar financiële glorie is er de schuld van dat maatschappelijke kosten flink zijn gestegen. In algemene termen gesteld werkte vijftig, zestig jaar geleden de man buitenshuis en de vrouw droeg zorg voor het huishouden en in belangrijke mate ook voor de opvoeding van de kinderen. Op een lapje grond achter het huis of in een volkstuintje werd misschien nog wat groente verbouwd. Dat was het generale beeld: huisje, boompje, beestje. Kleinburgerlijk Nederland, nog gespeend van emancipatoire aspecten. Enkele echtparen braken met dit beeld. En omdat de vrouw ook een inkomen buitenshuis verwierf, konden zij zich meer luxe dan de buren permitteren en bijvoorbeeld een grotere woning kopen. Met de emancipatiegolf werd dit voorbeeld gekopieerd. Met alle gevolgen van dien: nu wonen tweeverdieners in de arbeiderswoningen van toen. Dat is de boodschap van Johan Schaberg. En dat is ook de strekking van het boek ‘Fast Food Nation’ van Eric Schlosser uit 2001.
Arme wij. Om het hoofd boven water te houden en enige kwaliteit van leven te bereiken, moeten man en vrouw tegenwoordig allebei werken. (En hebben ze in de VS er soms wel een tweede baan bij om rond te kunnen komen.) Schaberg noemt het een fuik, maar dan wel een met uitsluitend een neerwaartse spiraal. Omdat partners het nu allebei druk buitenshuis hebben, wordt er minder gekookt. We warmen op of vullen onze borden met magnetronvoer. Of macaroni met sauzen uit een pakje waar alleen nog maar wat water bij hoeft, of we draaien een pot Chicken Tonight open. Te druk? Dan een snelle hap bij McDonalds, Kentucky Fried Chicken, Burger King, Subway, enzovoorts. Met de nodige negatieve effecten op onze gezondheid. En ondertussen worden we opgejaagd door moderne communicatiemiddelen als GSM en e-mail. We hebben steeds minder vrije tijd voor onszelf en elkaar (NRC 18 november 2006: Minder vrienden).
Het Sociaal Planbureau publiceerde op 19 oktober 2006 het rapport ‘De Tijd als Spiegel’. Hierin staat dat wij het de afgelopen dertig jaar steeds drukker hebben gekregen met verplichtingen en dat de hoeveelheid tijd die we besteden aan sociale kontakten tussen 1975 en 2005 van 13,5 tot 10,2 uur per week is afgenomen. Een ding is zeker: deze trend kent een absoluut eindpunt. Het is alleen maar de vraag wanneer en op welke wijze deze ballon uit elkaar spat.
(Deze column is eerder verschenen op HollandsGlorie.)



