Angst als Wapen in de Politiek

Vooral de vanuit de naoorlogse bestuurssystemen ingevoerde sociale vangnetten en andere ter bescherming opgerichte instellingen hebben ervoor gezorgd dat inwoners van de ontwikkelde landen tot nu toe werden verlost van de knagende gevoelens van onveiligheid en angst die het politieke leven tussen 1914- 1945 hadden beheerst.  Er zijn redenen om aan te nemen dat hier verandering in gaat komen. Angst is aan het terugkeren als een actief ingrediënt in het politiek leven in westerse democratieën.

Angst voor terrorisme, maar ook en misschien wel verraderlijker, angst voor de onbeheersbare snelheid van de veranderingen, angst voor het verlies van werk, angst om in een tijd van steeds ongelijkere spreiding van middelen terrein aan de anderen kwijt te raken, angst om de greep op omstandigheden en routines van het dagelijks leven te verliezen. En daar allemaal wellicht nog bovenuit leeft de angst dat het niet alleen voor onszelf steeds moeilijker wordt om ons leven richting te geven, maar dat ook de gezagsdragers de greep daarop zijn kwijtgeraakt.

Slechts weinig democratische regeringen kunnen de verleiding weerstaan om met die gevoelens van angst politiek voordeel te doen. Sommige zijn daar ook al voor door de knieën gegaan, en dan wekt het geen verbazing dat we een opleving zien van belangengroepen, politieke partijen en programma`s die op angst zijn gebaseerd:  angst voor buitenlanders, angst voor veranderingen,  angst voor vrije uitwisseling van onwelkome meningen. De afgelopen jaren hebben dergelijke mensen en partijen in onberispelijke democratische landen het goed gedaan en een politiek van onzekerheid besmettelijk gemaakt.

Onze hedendaagse cultus van economische vrijheid in combinatie met een toegenomen gevoel voor angst en onzekerheid kan tot een terugdringing van sociale voorzieningen en een minimum aan economische regulering leiden, maar dient dan samen te gaan met een professioneel bestuurlijk toezicht op communicatie, beweging en opinie. “Chinees”kapitalisme, als het ware maar dan a.u.b. wel op zijn westers, zou menig Europese democratie wakker schudden en kunnen vitaliseren.

Maar wat zijn dan de grenzen van de democratische staat? Wat is het juiste evenwicht tussen particulier initiatief en het algemeen belang, tussen vrijheid en gelijkheid? Wat zijn nog haalbare doelstellingen van een sociaal beleid, en waar wordt het bemoeizucht en schiet het zijn doel voorbij? Waar moeten we precies het onvermijdelijke compromis tussen maximale particuliere rijkdom en minimale sociale wrijving plaatsten? Wat zijn de correctie grenzen tussen politieke en religieuze gemeenschappen en hoe kunnen we botsingen aan die grenzen tot een minimum beperken? Hoe moeten we de greep houden op eventuele conflicten als onderhandelingen niet meer mogelijk zijn?

Dit is een niet limitatieve inventarisatie van uitdagingen in de 21ste eeuw. Het waren ook veelal de uitdagingen van de afgelopen eeuw maar in de context van het Industriële Tijdperk. Ze herinneren ons eraan  dat de eenvoudige wondermiddelen die de hedendaagse ideologen van de “vrijheid”bieden ons in een complexe wereld net zo min van dienst kunnen zijn als die van hun voorgangers aan de andere kant van de ideologische kloof van de 20ste eeuw. Ze herinneren ons er ook aan dat “links’ van gisteren en “rechts”van vandaag een overdreven neiging gemeen hebben om de betekenis van ervaringen uit het verleden voor hedendaagse problemen te ontkennen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *