Economie is de kunst van goed stuurmanschap

Objectief gezien leven wij in de rijkste periode uit de gehele geschiedenis. De economie is de studie van de verdeling van schaarse middelen, maar wat gebeurt er wanneer die middelen in overvloed voorhanden zijn? Dan blijft de economie ervan uitgaan dat de mens onverzadigd is en nog meer geld wil verdienen om te kunnen consumeren.

De periode na de Tweede wereld oorlog werd gekenmerkt door een snelle stijging van de welvaart, die vervolgens in de jaren zestig leidde tot de eerste golf van kritiek op de consumptiemaatschappij. De belofte van de hippiegeneratie kwam niet uit. Onze Westerse samenleving raakte niet alleen verslaafd aan consumptie, maar ook aan schuld.

Tot de dag van vandaag discussiëren psychologen, economen en sociologen over de vraag of welvaart op een betekenisvolle manier bijdraagt aan onze gevoelens van geluk. Het lijkt erop dat consumptie op twee manieren voor geluk kan zorgen: door de consumptie alsmaar verder op te voeren dan wel door ons te realiseren dat we genoeg hebben.

Onze tevredenheid blijkt relatief, niet absoluut te zijn. Wij voelen ons een arme sloeber wanneer onze buurman een nieuwe auto koopt, terwijl wij toch tevreden waren met onze eigen auto. Zo bezien lijkt de materiële wereld op de spirituele. Zowel op het ene als het andere vlak willen wij alsmaar meer, en niets is ooit voldoende voor ons. Het lijkt wel, alsof wij een onverwoestbaar stukje tekort in ons dragen, dat ons een niet aflatende spanning bezorgt.

Zo`n vierduizend jaar geleden had een Egyptische Farao een droom waarin hij een macro- economische prognose voor de komende veertien jaar zag: zeven vette en zeven magere jaren. De cyclus (eerst overvloed en dan honger) werd opgevoerd noch als straf noch als beloning voor enig handelen van de mens. Het is eerder een soort test: is de mens wijs genoeg om verstandig te reageren op wat hij op zich af ziet komen. Bouw overschotten op in de goede tijden: consumeer gedurende die jaren niet de gehele oogst, maar bewaar voldoende voor de zeven slechte jaren. Het mooie van dit verhaal is dat het zo simpel is dat zelfs een kind dit kan begrijpen. Het angstaanjagende eraan is, dat het aangeeft hoezeer wij tegenwoordig zijn afgedwaald van de essentiële les die dit verhaal ons te bieden heeft.

Tegenwoordig beschikken wij over schitterende wiskundige modellen voor details, maar de grote lijnen zijn we uit het oog verloren. Het begrotingsbeleid van tegenwoordig kan misschien het best gekenschetst worden als bastaard- keynsianisme. Wij hebben maar één kant van Keynes `recept overgenomen, namelijk dat overheden een tekort op hun begroting kunnen laten ontstaan. Maar de andere kant van het verhaal, namelijk dat overschotten moeten worden opgebouwd, zijn we vergeten. Onze overheden hebben immers ook in goede jaren tekorten toegestaan ( nodig gehad?) op hun begroting. Tegenwoordig staan we ver links van Keynes. Niet alleen vullen wij de pakhuizen in goede jaren met het oog op magere jaren, maar de pakhuizen liggen inmiddels ook nog eens vol met alleen schuldbewijzen.

De EU- regels voor de Euro schrijven voor, dat het begrotingstekort ten hoogste 3 procent van het BBP mag zijn, maar die regel veranderde in de praktijk al snel van “3 procent is het plafond” in 3 procent is o.k.”. Psychologisch gaan wij met de 3 procentnorm om als of dit het begrotingsevenwicht zou zijn. Voor elk tekort kleiner dan die drie procent gaan de handen op elkaar. Waar komt die mentaliteit vandaan? En waarom praten wij alleen maar over het terugdringen van begrotingstekorten, terwijl het gesprek eigenlijk hoort te gaan over het creëren van begrotingsoverschotten?

Er zijn tot nog toe geen EU regels ingevoerd waarbij landen verplicht worden om in goede jaren overschotten aan te houden. Met het oog op de schuldencrisis zou een eenvoudige aanbeveling voor het begrotingsbeleid inde EUkunnen zijn: de groei van het BBP en het tekort op de begroting mogen bij elkaar opgeteld niet meer bedragen dan bijvoorbeeld, 3 procent van dat zelfde BBP. Met andere woorden, als de economie met 6 procent groeit, dan dient de overheid een overschot op de begroting te hebben van tenminste 3 procent. Krimpt de economie met 3 procent, dan mag het tekort op de begroting oplopen tot 6 procent van het BBP.

In de periode van 2001- 2008 ( inderdaad zeven jaar) hebben we onvoorstelbare rijkdommen vergaard, maar weinig of niets gespaard om oude schulden af te betalen of lucht te scheppen voor magere jaren. Integendeel veel EU landen hebben ook in die goede jaren hun schulden verder laten oplopen.

Wij zijn niet ten onder gegaan aan deze crisis ( hoewel sommige landen failliet of bijna failliet zijn gegaan). Maar als wij in de volgende crisis belanden met een even grote berg aan schulden als wij nu hebben, dan zou die crisis, die over één of twee generaties kan komen, ons echt fataal kunnen worden.

Kortom,  een ontwikkeld land moet zich in de 21ste eeuw richten op een redelijke in plaats van een maximale groei. Krijgt de economie extra wind in de zeilen en kan ze sneller groeien, dan moet de overheid de broekriem aanhalen en de energie die daarmee gespaard wordt gebruiken om overschotten te creëren op de begroting, waarmee de staatschuld kan worden afgebouwd.

Gaarne wens ik u een goed, wijs en succesvol 2013 toe!  Riens Meijer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *