Ivoren toren politiek staat haaks op Nederlandse volksaard.

Door een zakelijke visie van de overheid op economische groei, werkgelegenheid en inkomensverdeling rustte onze naoorlogse welvaart op een solide basis. Daar kwam een einde aan toen de overheid zelf financieel aansprakelijk voor de markt van welzijn en geluk werd.

Dit opgrond van een reeks van nieuwe wetten met het karakter van gegarandeerde toezeggingen waaraan verregaande sociale rechten konden worden ontleend.

In de jaren zeventig vond de politiek bij meerderheid  dat de marktwerking en niet de staatsbemoeienis de beste manier was om de belangrijkste maatschappelijke problemen succesvol aan te pakken. Tal van activiteiten die in het verleden door de overheid werden ontwikkeld, zoals de eigendom van basisindustrieën, het openbare vervoer, sociale dienstverlening en nutsvoorzieningen werden naar de markt verschoven. De politisering van de economie sloeg om in een economisering van de politiek. Deze omslag  is één van de belangrijkste oorzaken  van de huidige malaise in de politiek. Er vindt sindsdien een beoordeling plaats op basis van economische maatstaven die politici zelf niet hebben opgesteld en daarom ook niet (echt) willen verdedigen.

Een andere oorzaak voor de politieke malaise is de ontstaande verandering in onze politieke orde. Vroeger liepen de politieke levenslijnen vrij onbekommerd van boven naar beneden door.  Een kabinet steunde op partijen met duidelijke contouren en levenskrachtige organisaties, terwijl die partijen op hun beurt diepe wortels in het electoraat hadden. Voor de noodzakelijke dialoog tussen “boven”en “beneden” was een uitgebreid media- arsenaal beschikbaar, dat instaat bleek de politieke pluriformiteit recht te doen. De politieke bovenbouw bestaat nog steeds en functioneert feitelijk op de zelfde manier, maar de meeste partijleden (de onderbouw) hebben inmiddels afgehaakt. Verwisseling van politieke oriëntatie lijkt normaal te zijn geworden. Het aantal zwevende kiezers is groter dan ooit.

Essentieel in deze ontwikkeling is de positie van de media, die niet alleen hun wervende functie verloren, maar ook hun voorlichtende en politiek dempende werking in vele opzichten hebben opgegeven. In plaats van te filteren wat van onderaf in de samenleving borrelt, tolereren ze – of provoceren ze zelfs- de invloed van willekeurige oprispingen en opwindende maar zinloze praat die dagelijks wordt geproduceerd. Door zich op deze wijze tot spreekbuis te maken van een geïndividualiseerde massamaatschappij, hebben zij aan de onderkant van de samenleving een nieuw blok gevormd; niet zelden met de pretentie dat zij de stem geven aan het ware politieke sentiment van de kiezers.

Dit alles heeft  de maatschappelijke complexiteit aanmerkelijk vergroot. De politiek heeft door overdracht van publieke taken aan de markt, de wetenschap, de rechter en de toezichthouder getracht  die complexiteit te verminderen. Dat is niet gelukt; integendeel zelfs. Er zijn rond de overheid instituties ontstaan die zich tot machtige “spelers” in de publieke sfeer hebben ontwikkeld.

Op zijn zachts gezegd staat de effectiviteit van vele van die overheidsinstituties ter discussie.

Politici zoeken vanwege hun onzekerheid en risicomijdende gedrag, steeds meer  houvast in modellen, afspraken, convenanten, regels en protocollen. Dat heeft in de praktijk twee gevolgen. Ten eerste: er is een stelsel van willekeur in Nederland ontstaan. Als er veel regels zijn, zo leert de praktijk, dan kan je in die regels “grasduinen”. Er is er altijd wel één die een verandering verbiedt, doch ook altijd wel één, die verandering voorschrijft. Ambtenaren en politici, die in die regelwereld verkeren kunnen daardoor meestal precies doen wat zij willen. Hetgeen geschiedt. Ten tweede: als de bureaucraat zich aan de regels houdt, is die persoon nooit schuldig. Ook niet als iets verkeerd afloopt. Dat het verkeerd afliep ligt dus aan de regels. Dat is alleen op te lossen door meer regels, zegt men dan! Dat de verschillende werkomstandigheden in de praktijk eigenlijk helemaal niet hetzelfde zijn, daar kan de echte bureaucraat zich niet mee bezig houden. Er moeten algemeen geldende voorschriften zijn, dat is eerlijk. Het moet dus volgens de voorschriften. En als dat voor de uitvoerder te moeilijk is, dan deugt die niet voor zijn werk.

Conclusie

We zijn in een overheidswereld terecht gekomen waar alles top-down wordt geregeerd. In een aantal gevallen compleet met een zekere angst voor de bazen, de “autoriteiten”. Die angst tref je bij alle onderdrukkende systemen aan. Dus ook in de van bovenaf regelende Nederlandse structuur. Dat is niet alleen uiterst vervelend. Het is op termijn ook dodelijk voor de Nederlandse welvaart. Nederland heeft altijd uitgeblonken door vrijheid van vrees en van particuliere initiatieven. Dat leidde tot ondernemingszin van mensen. Door bottom-up activiteiten dus. Doordat we nu in een top-down situatie zijn verzeild, missen we de vernieuwende krachten, waarin onze volksaard, onze natie, zo sterk was. Vernieuwende krachten die initiatieven katalyseren zullen ons uit het dal trekken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *