De Tweede Kamer van de Toekomst

Aan het einde van de negentiende eeuw ontstonden voor het eerst politieke partijen waardoor de relatie tussen kiezers en gekozene in het geding kwam. Politieke partijen ontwikkelden zich tot een balans tussen hardnekkige opportunisme en onverzettelijke overtuiging. Staatsburgers werden Partijgangers.  Er ontstonden naast elkaar netwerken van katholieke, protestante, socialistische en neutraal liberale organisaties  die in alle politieke, sociale en culturele behoeften voorzagen. Alles keurig naast elkaar. Alles keurig met zijn eigen kleur. En op den duur met vertakkingen tot in de kleinste dorpen. De verzuiling heeft daarmee niet alleen de politiek gedemocratiseerd en de band tussen het lokale en nationale niveau verstrekt, maar ook het belang van de politiek aanmerkelijk vergroot.

Al dit soort verenigingen waren onderling verbonden door bestuurders, die meestal meerdere functies combineerden en dan ook vrijwel avond aan avond op pad waren. De kernfiguren in deze nieuwe netwerken zagen elkaar op plaatselijk niveau in de gemeenteraad, op landelijk niveau in het parlement. Dankzij verbeteringen van de opleidingen was er een leger van onderwijzers aangetreden, dat zeer breed inzetbaar bleek te zijn. Academische onderwijs was in die dagen nog steeds een voorrecht van gefortuneerde elites. Studiebollen uit lagere kringen mochten hoogstens hopen de kweekschool voor onderwijzers te bereiken. Het leerplan van de kweekschool stond sterk in het teken van kennisoverdracht – zoveel mogelijk kennis op zoveel mogelijk terreinen, zodat de meester straks niet met een mond vol tanden zou staan. De onderwijzers wisten dus erg veel en waren behoorlijk ambitieus. Omdat leraren dicht bij het volk stonden, werden zij naast de dominees en de pastoors belangrijke leidslieden in de maatschappij. Je vond ze overal: in besturen, als medewerkers aan plaatselijke kranten, als organisatoren in verenigingen van allerlei slag.

Een kabinet in die tijd steunde dus op partijen met duidelijke contouren en levenskrachtige organisaties, terwijl die partijen op hun beurt diepe wortels in het electoraat hadden. Voor de noodzakelijke dialoog tussen “boven” en “beneden” was een uitgebreid media- arsenaal beschikbaar, dat in staat bleek de politieke pluriformiteit recht te doen. De politieke bovenbouw bestaat nog steeds en functioneert feitelijk nog op de zelfde manier, maar de meeste partijleden (de onderbouw) hebben inmiddels afgehaakt.

De voornaamste oorzaak van het huidige politieke crisisbesef  weerspiegelt zich in het formidabele functieverlies dat het politieke  bestuurlijke systeem stap voor stap heeft geleden. Ooit “on top of the World” bezig met grootse projecten zoals het christianiseren  van het staatkundig bestel of de vermaatschappelijking van de productiemiddelen, tonen politici zich momenteel openlijk tevreden als ze , naar eigen zeggen, goed “op de winkel hebben gepast”. Hoewel de huidige machthebbers langzamerhand wel beseffen dat de kloof tussen de burger en de politiek tenminste niet kleiner is geworden, lijken ze  het structurele aspect ervan niet te onderkennen: de verzuiling is verdwenen en daarmee is de samenleving fundamenteel veranderd. Doordat het bestaande  politieke systeem  op zijn laatste benen loopt is het onontkoombaar dat  er  enige fundamentele vernieuwingen worden doorgevoerd.

Dit door  bijvoorbeeld de invoering van een districtenstelsel  met 30 districten met in ieder district vijf personen te kiezen (totaal aantal leden in de Kamer 5×30= 150). Om vervolgens de gekozen Tweede Kamerleden  slechts 50 procent van de stemmen  toe te wijzen, terwijl de andere 50 procent toevalt aan een willekeurige steekproef uit de populatie. In een digitaal tijdperk is het niet alleen eenvoudig geworden om een willekeurige representatieve steekproef uit het publiek te trekken, maar ook om die van dag tot dag bij te stellen en gebruik te maken van de nieuwste informatie over de vraagstukken die aan de orde zijn.  Deze nieuwe systematiek van stemmen  minimaliseert de invloed van  bepaalde belangengroepen en vertegenwoordigers, waarmee de wandelgangen van ons parlement zijn geïnfecteerd. Dergelijke groepen zouden dan de bevolking moeten zien te bewerken en niet slechts een paar gekozen functionarissen.

Riens Meijer is de schrijver van het Oranje boekje over hoe de toekomst van Nederland eruit moet zien en hoe de huidige status van Nederland tot stand is gekomen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *